Mijn Werdegang

In de achterliggende jaren heeft mijn brein en het bewustzijn daarin diverse keren een transformatie, een ‘make-over’ doorgemaakt. Gelukkig zijn hersenen tot op hoge leeftijd plastisch, kneedbaar. Deze reeks van make-overs, mijn ‘Werdegang’ op z’n Duits, geef ik hier in vogelvlucht weer. En daar blijft het hopelijk niet bij.

Ik ben in 1960 geboren in een gereformeerd gezin. Mijn vader was een militair met de nodige onderscheidingen, maar mijn opa was zeker een illuster figuur te noemen, een belangrijk en sociaal bewogen man onder de ‘kleine luyden’ van zijn tijd. Ik ben naar hem en zijn vrouw vernoemd: Anthony Anne. De familie- en kerkcultuur waarin ik mij bevond, ervoer ik echter niet als bijzonder stimulerend of illuster, maar vooral gezagsgetrouw, je voegen naar de mogelijkheden, maar niet dromen en fantaseren. Mijn prille brein werd netjes geconditioneerd naar calvinistische waarden als zuinigheid, hard werken, gehoorzaamheid en nederigheid. Ook kreeg ik een portie emotionele verwaarlozing te verwerken. Ik was natuurlijk gedoopt en ging/moest naar de kerk, maar ik geloofde niets van wat daar gezegd werd. Ik vond de mensen in de kerk zo onaantrekkelijk om bij te horen dat geloven absoluut geen optie voor me was. Ik stopte mijn gevoel steeds meer weg, trok mij terug in mijn ruime bovenkamer en werd een zoeker, een dromer. Elders was het vast beter.

Als schoolkind was ik mij dus eigenlijk weinig bewust van wat er zich om me heen afspeelde, van hoe het met mensen ging. Ik had geen idee in hoeverre de volwassenen om mij heen wel deugden of niet. Ik wist niet beter. In de vierde klas lagere school waren mijn prestaties bedroevend slecht, en niet alleen die van mij. De gezamenlijke ouders besloten een andere onderwijzer aan te stellen die de wind er goed onder kreeg. De nieuwe onderwijzer wist mijn leervermogen flink aan te wakkeren met een warme maar strenge benadering. Mijn schoolwerk ging met sprongen vooruit. Zo belandde ik nog net op tijd met een IQ van 120 op VWO-niveau.

Ook op het VWO was het de godsdienstleraar die mijn ontwikkeling een flinke impuls gaf. Hij zorgde er voor dat ik naar het gymnasium ging. Daar was ik zelf nooit opgekomen en zoiets leefde bij ons thuis niet echt als keuzemogelijkheid. Ik kwam in aanraking met de klassieke talen en mijn gevoel voor taal begon zich helemaal te ontvouwen. Vooral Grieks en Duits vond ik juwelen van zeggingskracht, maar Latijn heb ik helaas nooit goed aangeleerd. Weer vanwege een te slappe leraar. Ik had toch wel een strenge hand nodig om tot ontplooiing te komen. Mijn brein gebruikte ik vooral voor het opslaan van hopen en hopen kennis. Ik had verder geen toekomstbeeld voor ogen. Het enige dat ik wel wilde, was weg van huis en kerk.

Na de middelbare school ging ik economie studeren aan de Vrije Universiteit in Amsterdam en ik ging bij een dispuut, een speciaal soort vriendenclub. Dit was het begin van een derde golf van geestelijke ontwikkeling. Ik zat bij het filosofische dispuut Cato. Daar zat je niet zozeer om later carrière te maken, maar om je geestelijk te ontwikkelen. Met verschillende leeftijden bij elkaar was het een schatkamer aan belezenheid, spreekvaardigheid en muziek. Studeren verhuisde naar het tweede plan en student zijn kwam op nummer één. Ik dompelde mijn onder in de wereldliteratuur, klassieke muziek, toneel en spreekvaardigheid. Een ongekend en weldadig cultuurbad, met belezen en welbespraakte vrienden, ruim besprenkeld met genotmiddelen. Ik las veel, ik speechte erop los in het openbaar en ontwikkelde een ivoren torenhoog intellectualisme. Maar ik wist absoluut niet wat ik wilde en verder met mijn economiestudie aanmoest. Economie leek mij intussen zo laag bij de gronds. Totdat een van mijn dispuutgenoten mij aanraadde: kijk eens naar de metaforen die economen in hun taal gebruiken. Hoe wordt de economische werkelijkheid in de boeken aan studenten voorgesteld? Het was of het licht aanging in mijn hoofd. Er kwam een motor op gang die voorlopig niet meer zou stoppen.

Ik vond een scriptiedocent die dit helemaal zag zitten en begon mijn studieboeken te analyseren op de gebruikte metaforen. Dit was midden jaren tachtig, precies de tijd waarin een meer spirituele literatuur over economie en bedrijfsleven in opkomst was. Ik nam beide kanten mee in mijn analyse. Ik onderzocht hoe metaforen ten diepste ons begrip van de werkelijkheid bepalen. Ik organiseerde er later ook een conferentie over: metaforen, van ornament naar fundament. Ik kwam tot een kraakheldere conclusie: in mijn studieboeken overheerste de strijd- en machine metafoor van het beheersdenken. In de spirituele literatuur overheersten de stroom- en energiemetafoor van het transformatiedenken. Met deze waardevolle schat op zak begon ik aan mijn afstuderen, mondelinge tentamens bij de hoogleraren thuis. Het werd een ware zegetocht. De hoogleraren waren verrukt dat er een student was die over hun vak had nagedacht. Ik moest pro forma een paar vragen over de stof beantwoorden, maar daarna werd het al gauw vrij spreken over mijn onderzoek. Mijn scriptiedocent zei op de uitreiking van mijn doctoraalbul, dat ik de zeldzame stap van kritisch naar creatief denken had gemaakt. Tien jaar studentenleven kwam tot een afronding.

Die tien jaar waren tegelijk ook een uitstel van mijn opkomstplicht voor militaire dienst geweest. Mijn oproep viel nu wel in de bus, maar na zo’n geestelijke ontwikkeling kon ik mij daar niet meer in vinden. Ik weigerde op grond van onoverkomelijke persoonlijke gewetensbezwaren: ik kon mij niet verenigen met de voorstelling van zaken dat vrede alleen mogelijk was door dreiging met dood en geweld. De gewetenscommissie had er weinig tegen in te brengen en als door een wonder belandde ik voor vervangende dienstplicht als programmamaker op de Internationale School voor Wijsbegeerte. Daar was mijn werk het organiseren van filosofische conferenties voor leden, maar ook steeds meer voor managementdoelgroepen. Ik moest zelfs als enige werknemer mijzelf zien terug te verdienen. Op de ISVW zat ik in het hart van de academische filosofie in Nederland. En dat begon te kriebelen. Ik had gek genoeg niet zoveel op met ‘denken om het denken’. Filosofie moest voor mij wel leefbaar en pragmatisch zijn.

Het postmodernisme barstte los, alles werd tot taalspel gebombardeerd. Taal schiep de werkelijkheid en niet andersom. Er was eigenlijk alleen maar taal, zwevende netwerken van woorden en betekenissen zonder vaste grond. Mijn opvoeding, mijn studie, mijn werk, de politiek, het was slechts retoriek van zenders en ontvangers. Er waren slechts belangen en culturen die elkaar van hun gelijk probeerden te overtuigen. Aan de ene kant sprak mij dit enorm aan. Het was de uiterste consequentie van mijn metaforenliefde. Aan de andere kant voerde het mij nog hoger mijn ivoren toren in. De afstand met de grond werd steeds groter. Mijn metaforenbagage hielp mij wel om in deze extreme relativeringsgolf toch over dingen te kunnen blijven nadenken, namelijk door de metaforen in de diverse taalspelen te blijven waarnemen. Ik liet mij niets meer op de mouw spelden. De metafoor was het reddingsvlot waarmee ik op de oceaan van de taal dobberde.

Intussen begon zich een spiritualisering van mijn bewustzijn voor te doen. Ik maakte uitstapjes naar de antroposofie, de theosofie en de fenomenologie, iets waarmee Goethe begon: je stelt je oordeel uit en laat het fenomeen dat je bestudeert zichzelf openbaren. Ook was ik in therapie gegaan, omdat mijn dromerige intellectualisme ver losgezongen was geraakt van mijn echte gevoelsleven. Ik kon alles wegrelativeren, maar ik was vergeten het relativeren zelf te relativeren, om weer bij iets van mezelf uit te komen, bij iets wat met mij te maken had. Op een hardhandige manier kwam ik weer op de grond terecht. Wat voelde ik eigenlijk, wat wilde ik eigenlijk? Ik wist het niet. Ik voelde me aangetrokken door de spirituele therapie van Osho: je innerlijk opruimen om ruimte te maken voor wie je bent. Ik ging op avontuur naar mijn innerlijk kind, samen met een vaste groep mensen. Maar als je je denken gaat onttronen, hoe weet je dan nog of je goed bezig bent? Mijn enige houvast op deze reis was het motto ‘the healing is in the feeling’ en dat was ook het enige constante. Ik begon mijn denken te temperen en de ervaring meer op te zoeken, hoe iets voelde. Wat mij zo aansprak was de volstrekte oordeelloosheid van zijn benadering. Verover de wereld, maar verover vooral ook jezelf. Ik werd uitgenodigd mezelf steeds dieper te leren kennen. Ik was zo geraakt door de kracht van Osho’s benadering, dat ik mijn spirituele naam aanvroeg. Enkele weken later kreeg ik een oorkonde met de naam Bodhi Payodhi, wat zoiets betekent als ‘Oceaan van Ontwaken‘. Tijdens een celebration in Keulen vierde ik mijn nieuwe naam en onderging daarbij een enorm energiebad. Ik was dagenlang verliefd op alles en iedereen. Mijn naam ‘Ontwakende Oceaan’ beschouw ik eigenlijk als mijn werkelijke doopnaam.

Ik deed er zes jaar over om mijn gevoelens weer onder de dikke aardschollen van mijn denken uit te halen, maar dat was zeer de moeite waard. Ik begon eindelijk iets van een eigen koers te ervaren. Hiervoor was ik min of meer onbewust in dingen gerold, wat een bochtige carrière had opgeleverd. Ik leerde een vorm van mediteren, waarbij ik voorbij mijn denken kon komen als het meezat. Geen denken meer, stel je voor. Toen ik dit aan de filosofen vertelde, keken die me ongelovig aan. Denken was juist hun ding en dat dan laten wegvallen? Dat zou de deur openen voor amorele praktijken. Toch zei iets in mij: deze kant moet ik op. Hoeveel plezier ik ook beleefd heb aan mijn denkvermogen, met dank aan de mensen die mij onderweg zo hebben gestimuleerd, sinds mijn 45e jaar maak ik er mijn werk van om mensen te helpen uit hun hoofd te gaan en weer bij hun gevoel te komen. Helpen oude pijnen te helen die daarbij bloot komen te liggen. Die pijnen bleek ik ook volop te hebben, maar daar had ik al die decennia nauwelijks notie van gehad.

De meest recente spurt in mijn bewustwording kwam wederom als een totale verrassing. In mijn werk als therapeut had ik voor het eerst bewust kennisgemaakt met het bestaan van een onzichtbare werkelijkheid om ons heen. Zo zat ik een keer in meditatie toen een stem zei: kijk eens voorbij het innerlijk kind. Het duurde een tijdje voordat de betekenis ervan tot mij doordrong. Maar wat het mij zei was: kijk eens naar waar je vandaan komt, nog voor je dit lichaam kreeg en een kind werd. Zo kwam ik op het spoor van mijn hogere zelf en mijn ziel. Sinds dat moment heb ik regelmatig heldere dromen of visioenen voor mijn geestesoog over waar ik mee bezig ben in mijn ontwaken. Ook ben ik mij meer bewust van goedwillende en kwaadwillende energieën die mijn dagelijkse gedachten, gevoelens en gedrag kunnen beïnvloeden, afhankelijk van waar ik mijn eigen wil naar uit laat gaan.

In 2015 vroeg ik mij een keer hardop af: ik kan iets met het bestaan van God en van de Duivel, ik kan iets met engelen en demonen. Maar waar ik niets mee kan is de rol van Jezus in dit alles. In de nanacht, half wakker, kreeg ik een heldere droom waarin ik uit de vestingstad van mijn ego wegliep naar een open plek in het midden. Daar zat Jezus op een steen op een helling, zoals de Denker van Rodin zit, maar dan met een doornenkroon op. Ik ging aan zijn voeten zitten en hij begon zonder woorden uit te leggen wat zijn plek in het geheel is. Wat ik begreep was dat hij altijd al in het centrum van mijn wezen woont en mij aanmoedigt om te ontwaken uit mijn ego, mijn vestigstad. Zijn rol is dat Hij al onze oeroude ego’s heeft verslagen met zijn dood, puur opdat we ons eruit los kunnen maken na zovele levens geleefd te hebben in het duister van haat, hartstocht en geweld. Opdat onze ziel kan toegroeien naar het Licht. In mijn beleving zijn wij op aarde om helemaal mens te worden. Mens in termen van geest (in het latijn), bewustzijn, in tegenstelling tot materie. Dat weglopen uit ons ego moeten we echter wel zelf doen, met behulp van onze eigen wil. Zonder zijn tussenkomst zou ons duistere ego te sterk voor ons zijn. Ik voelde dat ik mezelf helemaal mocht leren kennen en dat verheugde mij. Er was helemaal geen oordeel, alleen maar aanmoediging om te ontwaken uit mijn dierlijk onbewuste verleden.

AanmoedigingDit nieuwe contact is geen idee in mijn hoofd, maar een persoonlijk ervaren van diepe ontroering en aanraking door zijn aanwezigheid. We worden allemaal aangeraakt en ieder heeft een eigen tijd om te gaan luisteren en te ontwaken. Ik voel me geroepen. Ik merk dat ik mij leer openen voor zijn geestelijke leiding. Ik hoef niets te geloven en het heeft ook niets met een kerk te maken. Vertrouwen is het kanaal waarlangs er vrede in mij stroomt. Dankbaarheid tilt mij boven mijn omstandigheden uit. Als ik naar mijn eigen midden ga, dan ga ik voorbij mijn denken. Maar er is daar geen leegte, zoals veel zoekers verwachten. Het is een onmetelijke ruimte, vol liefde en licht en waar ik niet alleen ben. Contact waarbij ik niet langer in de weg loop met mijn controlerende en analyserende gedachten. Hoe toepasselijk is ook de roep die ik al een tijdje hoorde: ‘Ik Ben Hier’. Dit is de plek. Ik hoef niet meer ergens anders te zijn.